Lessen voor toezicht uit 1900

Op 24 januari 2025 is het 125 jaar geleden dat mijn grootvader werd geboren. Reden om eens na te gaan: wat speelde er op 24 januari 1900 en is dat voor nu nog relevant?

Wat blijkt? In Amsterdam was er het nodige aan de hand. Daar kampte men al langer met instortende huizen. Dit was te wijten aan snel en goedkoop bouwen, wat mede mogelijk werd gemaakt door gebrekkige regelgeving en falend toezicht. Dit leidde tot ongelukken met zelfs dodelijke afloop. Een belangrijke les: goede regels én goed toezicht zijn echt nodig.

We beginnen bij de kranten van woensdag 24 januari 1900. In dagblad Tubantia van die dag is te lezen dat er in Amsterdam onlangs vier huizen waren ingestort. De Telegraaf en de Morgenpost meldden dat er daarbij een man om het leven was gekomen. Deze man, Jacobus van Gerven, is op 24 januari 1900 begraven op de Oosterbegraafplaats te Amsterdam. Hij was timmerman, 50 jaar oud en vader van zes kinderen.

Wat was er gebeurd?

Op 19 januari 1900 stortten drie huizen in aan de voormalige Amsterdamse Rustenburgkade (nu: Sint Willibrordusstraat). De huizen waren in aanbouw, en op het moment van de ramp waren meer dan 20 werklieden daar aan het werk. Van Gerven liet het leven, van de 21 overige werklieden bleven er 6 ongedeerd en waren de meesten er met lichte verwondingen afgekomen; er was één zwaargewonde (gebroken borstbeen en rugwervel). Als gevolg van harde wind stortte in de nacht erop ook het vierde huis van het complex in.

Wat was de oorzaak?

Op de dag na het ongeluk geeft de Haagsche Courant een eerste inschatting van de oorzaken:

  • “Toen de stofwolk was opgetrokken, zag men eenige hevig verschrikte mannen van den hoop puin kruipen, terwijl anderen, gekneusd, beklemd om hulp riepen. De puinhoop gaf geen hoogen dunk van de hoeveelheid materiaal, waarmede men in deze buurt volstaat bij het optrekken van een woonhuis.”
  • Met manden begon men toen het puin weg te halen, waarvan geen twee steenen op elkaar zaten, waarvan een heele muur vlak op den grond lag als een door elkaar geworpen spel dominosteenen. De roode klinkers waren alle heel gebleven, en alle geheel en al schoon van kalk; niet het minste korstje zat er aan vast, en waar een hoekje grauwe specie zichtbaar was, kon men dat met den vinger afwrijven. De wethouder Blooker, die ter plaatse was, stelde na een voorloopig onderzoek vast, dat de bouwer de onvoorzichtigheid heeft gehad, bij afwisselende dooi en vorst door te bouwen.
  • “Ons leeken leek het echter wel raar (…) dat alle steenen van het geheele huis los waren. Er was in ’t geheel geen klomp. Elke steen kon men opnemen, ja zelfs van een muurtje, dat nog stond, zoo maar de steenen oplichten. De kalk, die er tussehen zat, was zonder eenigen druk fijn te wrijven. Van andere zijden hoorden wij dan ook, dat er wel degelijk tijdens de strenge kou is gemetseld.

Sommigen spraken van ‘revolutiebouw’ of van ‘speculatiebouw’. Ook de Morgenpost laat zich niet onbetuigd:

  • “Er was ontzettend veel haast bij, het moest gauw klaar en veel mocht het werk niet kosten.”
  • “Indien dus de werklieden bovendien nog verzekerd zijn tegen ongelukken, zooals die van den heer Van Vlaanderen, dan bouwt men maar voor het lieve vaderland weg. ‘Het kan vriezen, en het kan ook dooien’ (…)
  • “[H]et oude spreekwoord der Lucullussen ‘kalk en steen metselen goed’, is heelemaal in het onbekende teruggevallen, nu men tot de ontdekking is gekomen, dat een loodrechte opeenstapeling van vlakke steenen, ook met zand als kleefmiddel, toch een muur kan vormen, mits men er later overheen pleistert en de muren betengelt en met behangselpapier beplakt.”
De Morgenpost, 20 januari 1900

Gebrekkige regelgeving en falend toezicht

Amsterdam breidde in de negentiende eeuw uit en er was grote behoefte aan nieuwe woningen. De gevolgen van het slordige bouwen waren levensgevaarlijk. In de 19e-eeuwse wijken stortten meerdere panden in tijdens de bouw. De gemeente hield nauwelijks toezicht.1 Dit speelde al langer en kwam uiteraard ter sprake in de gemeenteraad.

De situatie in 18762

Met donderend gekraak stortten op 21 september 1876 de in aanbouw zijnde huizen Ferdinand Bolstraat 35 en 37 in, en raakte het half afgebouwde huis op nummer 33 ernstig verwoest. Acht bouwvakkers werden uit het puin gehaald, waarvan er twee later aan hun verwondingen overleden.

Naar aanleiding hiervan kwam in de gemeenteraad aan de orde of Publieke Werken niet had gefaald in het bouwtoezicht en of de bouwvoorschriften niet verscherpt moesten worden. De burgemeester vond toen van niet: in 1875 was de bouwverordening nog verscherpt. Bouwopzichters zorgden voor de naleving, maar die konden, merkte hij laconiek op, niet overal tegelijk zijn. Op aandrang van de raad kwam er wel een onderzoek naar de oorzaken van het ongeluk en zo toog op 7 oktober 1876 een aantal heren naar de bouwval in de Ferdinand Bolstraat. Ze lieten zich rondleiden door de drie financiers van het bouwproject en waren het met hen eens dat onvoorzichtigheid van de bouwvakkers de ramp had veroorzaakt. De bouwondernemers gingen vrijuit.

De heren bezochten die dag nog wat andere bouwlocaties, en daar werden evenmin overtredingen geconstateerd. Wel zag men binnenmuren die met zo weinig specie waren opgemetseld, dat er een rotting (bamboestok) doorheen gestoken kon worden. Maar in de bouwinstructie stond niets over binnenmuren. Voor raadslid Engels was de kous daarmee niet af, en hij verweet het gemeentebestuur desinteresse. Nadat de directeur van Publieke Werken toegegeven had dat de instorting te wijten was aan de “bouwwoede, uitgeoefend door onkundige bouwmeesters die te snel bouwden en te grote zuinigheid betrachtten”, werd het aantal bouwopzichters van drie op vijf gebracht.

Helaas bracht de uitbreiding van het toezicht geen verandering. De bouwheren kregen nog steeds alle vrijheid, met alle gevolgen van dien:

  • Ondeugdelijke metselspecie was in 1881 de oorzaak dat een pand in de Jordaan in elkaar zakte. De verslaggever van de Amsterdamsche Courant rapporteerde: “Wat wij aan specie zagen, was aan stuifpoeder gelijk.”
  • Twee jaar later ging het opnieuw in de Ferdinand Bolstraat mis toen de muren van een huis in aanbouw het begaven.
Provinciale Overijsselsche En Zwolsche Courant, 12 juli 1881

Instortingen in de Eerste Oosterparkstraat en op de Ceintuurbaan waren voor de wethouder van Publieke Werken, Treub, aanleiding om de bezem door het Bouwtoezicht te halen. Hij ontdekte dat de opzichters corrupt waren en zich lieten betalen om een oogje dicht te doen. “Geen wonder, dat deze heeren, ondanks hun bescheiden tractement, eenige huizen in eigendom hadden kunnen verwerven,” schreef Treub in zijn memoires.

Ondanks de maatregelen waren de misstanden de bouwwereld nog niet uit. Dat bleek onder andere bij de instorting in de Sint Willibrordusstraat in januari 1900. Volgens de kranten lag de oorzaak bij de regelgeving (‘met de verordening in de hand was dan ook op den bouw niets te zeggen’) en bij het toezicht (‘Nog den vorigen dag was een der bouwopzichters den bouw wezen inspecteeren’ – alles was in orde).

In de gemeenteraad van Amsterdam kwamen n.a.v. het bouwongeluk op de Sint Willibrordusstraat ook de regelgeving en het toezicht ter sprake, bijvoorbeeld in de vergadering van 7 februari 1900. De raad drong aan op verbetering van de bouwverordeningen en op ‘wijziging van de bouwpolitie’. De herziening van de bouwverordening was al heel lang beloofd en ‘zoo nodig’. Ook werd afkeuring uitgesproken over het bouwtoezicht, er waren plannen goedgekeurd die afgekeurd hadden moeten worden. De raad drong aan op ‘krachtige reorganisatie van het toezicht’. Er waren al langer problemen: een eerdere reorganisatie in 1895 had geen vruchten afgeworpen.

In de vergadering van 22 maart 1900 gaat het er heet aan toe. De Tijd en De Morgenpost van 24 maart 1900 geven hiervan een verslag, dat als volgt opent:

“’Er zal nu worden nagegaan wat de gevolgen van deze stemming zullen zijn.’ Dat waren de laatste woorden, waarmede burgemeester Vening Meinesz in den laten namiddag de zitting sloot. Het is de parlementaire manier, om te zeggen dat de Wethouders zullen overwegen, of zij na het gevallen votum van de vergadering al of niet kunnen aanblijven. (…). Kennelijk heeft bij den aanvang bij B. en W. de bedoeling vastgestaan, om dezen ambtenaar [‘den bouwkundigen inspecteur, aan wiens eindoordeel de bouwplannen waren onderworpen geweest’] te sauveeren en den man, die eenige jaren de gemeentelijke bouwpolitiek in uitvoering heeft gehad, niet te doen boeten voor fouten, die een algemeene oorzaak hebben: nl. de luie liefdeloosheid en de smaaklooze pietlutterigheid, waarmede de vaders van het Stadhuis onze stad in haar uitbreiding hebben verknoeid (…).”

In de vergadering ligt het toezicht zwaar onder vuur. Een rapport van de bouwinspecteur wordt door een raadslid gekwalificeerd als ‘geschikt om niet-deskundigen op een dwaalspoor te brengen’.

Herziening van regelgeving en toezicht – er komt een einde aan de instortingen

Op 18 juli 1900 kwam het in de gemeenteraad tot een besluit over de herziening van het toezicht. De bouwverordening zat in het proces van aanpassing. Ook kwam B&W met een voordracht voor een nieuwe hoofdinspecteur voor het bouwtoezicht. Maar dat ging de raad niet ver genoeg. De raad wilde dat er iemand kwam die het gehele toezicht zou kunnen herzien – en aldus geschiedde.

Het Nederlandsche Dagblad, 19 juli 1900

De Dienst Bouw- en Woningtoezicht werd opgericht, die ruime bevoegdheden kreeg én bovendien een kundig directeur, de later burgemeester Tellegen. De instorting op 17 juni 1904, toen een hele rij in aanbouw zijnde panden, Da Costakade tussen 126 en 150, tegen de vlakte ging, zou de laatste van die aard zijn. Tellegen beloofde er alles aan te doen om de misstanden, de gevolgen van ‘revolutiebouw’, aan te pakken. Zijn aanpak was revolutionair anders dan die van de gemeente in 1876 en bleek succesvol.

Referenties


  1. https://www.amsterdam.nl/nieuws/achtergrond/rauwe-leven-pijp/ ↩︎
  2. https://onsamsterdam.nl/artikelen/hier-gebeurde-het-ferdinand-bolstraat-21-september-1876 ↩︎