Hoe het ‘Kinderwetje van Van Houten’ door gebrek aan toezicht faalde

In 1874 werd het fameuze ‘Kinderwetje van Van Houten’ van kracht – dit jaar (2024) 150 jaar geleden. Officieel heette de wet: Wet Houdende Maatregelen tot het Tegengaan van Overmatigen Arbeid en Verwaarlozing van Kinderen. De wet verbood arbeid door kinderen jonger dan twaalf jaar in fabrieken en trafieken (werkplaatsen).

Een verbod was hard nodig. Kinderarbeid was in Nederland heel gebruikelijk. Bij een telling in 1841 bleek ruim 27,5% van het personeel in de Friese textielindustrie uit kinderen jonger dan vijftien jaar te bestaan. In een katoenspinnerij in Enschede was in hetzelfde jaar een derde jonger dan vijftien jaar en bij een textielbedrijf in Lonneker bedroeg dat percentage 46%.1

Hoe is het gegaan met de wet? Uit hoe de wet werd toegepast in de praktijk valt het nodige te leren. Ook over toezicht! Die lessen staan aan het eind van dit artikel.

Canon

De initiatiefwet van het liberale kamerlid Van Houten beoogde een algemeen verbod op arbeid door te jonge kinderen. De Tweede Kamer kleedde dit nogal uit: het verbod gold uiteindelijk alleen voor arbeid in fabrieken en werkplaatsen en was ‘niet toepasselijk op huiselijke en persoonlijke diensten en op veldarbeid’.

In het collectieve geheugen staat het Kinderwetje van Van Houten gegrift – de wet heeft zelfs een plek in de Canon van Nederland. De wet zou het einde betekenen van de kinderarbeid in ons land. Maar is dat wel zo? In ieder geval gold het verbod niet voor kinderen van ouder dan 12 jaar, die mochten alleen geen ‘nachtarbeid’ meer verrichten. En verder?

Parlementaire enquête: toestand in fabrieken en werkplaatsen (1886-1887)

In 1886 en 1887 werd er een parlementaire enquête gehouden naar onder meer de werking van de Kinderwet van 1874 en naar de toestand van fabrieken en werkplaatsen hier te lande. Deze ‘Arbeidsenquête’ kon wegens ontbinding van de Kamer niet voltooid worden, maar door de verhoren werden wel vele misstanden aan het licht gebracht.

Uit de verhoren bleek dat er in tal van fabrieken sprake was van wantoestanden, onder andere in de aardewerkfabriek van Petrus Regout in Maastricht. De publicatie van alle verhoren vond vrijwel onmiddellijk na afloop van de enquête plaats, en ook de dagbladpers schonk ruime aandacht aan het werk van de enquêtecommissie.

Haagsche Courant, 8 februari 1887

Het publiek kreeg zo, ‘heet van de naald’, vaak vrij gedetailleerde inkijkjes in het Nederlandse fabriekswezen. Er werd niet alleen gesproken over kinderarbeid voor 1874 (het jaar waarin de wet tegen kinderarbeid in de fabrieken aangenomen werd), maar ook over de arbeid door de kinderen en vrouwen in de jaren daarna. Men sprak over zware maar vooral ook lange werkdagen en men vertelde dat sommige arbeiders géén een dag vrij hadden. Wanneer ze iets verkeerd hadden gedaan, werd hun loon ingehouden of werden ze naar huis gestuurd.

Het leidde tot publieke en politieke verontwaardiging. Hieronder volgt een zeer kleine greep uit de verhoren, ook uit het verhoor van dhr. Petrus Regout dat toch wel een verbijsterend beeld geeft.


Uit het verhoor van dhr. L.T. van Kleef, arts te Maastricht

V. Is dat komen op de fabriek op 12jarigen leeftijd zoo algemeen?
A. Ja, al wat plaats kan vinden op de fabriek moet er heen, omdat de ouders niet in staat zijn de kinderen te onderhouden.
V. Dat geschiedt uit een oogpunt van den kost te verdienen?
A. Ja, voor het geldelijk voordeel.
V. Van uw standpunt, als man van kennis en oordeel, wat is dan uwe meening daaromtrent? Keurt gij het goed, of vindt gij het betreurenswaardig? Begrijpt gij dat er iets tot verbetering moet gedaan worden? Wij wenschen daaromtrent gaarne uwe meening te hooren.
A. Van mijn standpunt als dokter moet ik zeggen, dat de 12jarige leeftijd veel te jong is om de kinderen te dwingen om slavelijken arbeid te verrichten. Er bestaat natuurlijk een groot onderscheid in het werk dat te Maastricht verricht wordt. Ik vind het verschrikkelijk, dat een jongen van 12 jaar nachtwerk moet doen in de glasblazerij, en dagen achtereen van ’s avonds 7 tot ’s morgens 7 moet werken. De jongens zijn ’s morgens zoo af, dat zij zich niet meer op de been kunnen houden overdag. Zij moeten dan gaan slapen, terwijl andere kinderen schreeuwen; zij moeten wakker gemaakt worden om te eten en te drinken en gaan dus even vermoeid weêr naar de fabriek als zij er vandaan kwamen. Zij zien er dan ook zoo chétief, zoo mager en miserabel uit, dat het akelig is om aan te zien.
In Maastricht loopen veel menschen met kromme beenen. Men kan geen honderd passen doen of men ziet iemand met kromme beenen. Dat zijn glasblazers, die door het hangen en staan ’s nachts in de fabrieken zoodanig vermoeid zijn, dat de ledematen zich daardoor verkrommen. Het is dus wenschelijk om de jongens zoo vroeg niet naar de fabrieken te zenden.


Uit het verhoor van dr. J.A. Nijst, praktizeerend geneesheer te Maastricht

V. Heeft u in uwe praktijk aanleiding gehad om bepaalde observaties te maken over den schadelijken invloed van het te vroeg in de fabriek arbeiden van aankomende jongens en meisjes, kinderen van 12, 13, 14, 15, 16 jaar?
A. Ja, dat is voornamelijk bij glasblazers. Daar heeft men 4 soorten van personen: den souffleur, den carreur, den grooten gamin en den kleinen gamin.
De kleine gamin, de jongste jongen staat met de pijp voor den oven en haalt door eene kleine opening het gloeiende glas er uit en loopt er mede naar den grooten gamin, deze geeft het aan den carreur, die in de hoogte staat, opdat de groote stukken niet op den grond zouden komen, en de souffleur staat onder en snijdt het af. De souffleur is eigenlijk de baas.
V. En naar uwe meening is het werk, waarvan gij ons eene korte beschrijving gegeven hebt, schadelijk voor die aankomende jongens?
A. Zeer zeker; die kinderen zien er allerellendigst en als levende skeletten uit. Daarbij komt, dat zij niet genoegzaam gevoed worden en slechts f 0,25 per dag verdienen.


Uit het verhoor van dhr. M. Everaerts, vroeger werkman te Maastricht

V. (…) Wat ligt u nu nog bij uit den tijd dat gij in de glasblazerij waart? Gij zijt er het eerst naar toe gegaan op uw tiende jaar. Hoe laat moest gij er naar toe?
A. ’s Nachts om half twaalf, dat was ook tot verveling van mijn ouders, die ’s nachts moesten waken om mij te roepen. En dan kwam ik ’s morgens om half twaalf naar huis, zoo zwart als een moor, terwijl ik bijna niet kon staan van vermoeidheid, dat kunt gij begrijpen.
(…)
V. Waren er ook van die kleine jongens, die over dag moesten werken?
A. Ja als wij afkwamen, kwamen zij op.
V. Maar dáár is nu, Goddank! een einde aangekomen door de nieuwe wet. Sedert 1874 komen die dingen niet meer voor, niet waar?
A. Dat zou ik niet kunnen zeggen.
V. Dus die jongens waren even klein als gij, en gij waart dus toen reeds verdeeld in dagploegjes en nachtploegjes?
A. Ja.
V. Kreegt gij den dagploeg ook?
A. Ja, van de eene week op de andere.
V. En dat waren kinderen van 10 en 11 jaar?
A. Ja mijne kameraadjes schonen allen van dien leeftijd.
(…)
V. Gebeurde het wel eens, toen gij als jongen op de fabriek werktet, dat die kinderen slaag kregen?
A. Ik heb wel eens gezien dat een jongen, die nog een beetje kleiner dan ik was, met een moule [zware mal] een slag op zijn bakkes kreeg.


Uit het verhoor van dhr. P.A.H. Regout, lid der firma Petrus Regout en Co te Maastricht

V. Hoe talrijk is het personeel fondeurs en stokers?
A. Vier bij dag en vier bij nacht; aan iederen oven is een fondeur en een stoker.
V. Gij hebt 4 ovens in de glasblazerij?
A. Ja, de vier stokers hebben nooit een dag vrij.
V. Ook niet op de drie feestdagen?
A. Neen, de vuren moeten aangehouden worden. (…)
(…)
V. Die arbeid voor fondeurs en stokers is dan toch nogal inspannend?
A. Jawel, maar zij beklagen er zich nooit over, in ’t minst niet. Indertijd heb ik hun aangeboden met behoud van hun geld één dag in de week vrij te geven, maar zij hebben het niet gewild.
V. Waarom niet?
A. Och, zij zijn dat werken zoo gewoon.
V. Laten wij elkander eens goed verstaan. Gij hebt, zegt gij, die menschen een dag vrij willen geven met behoud van hun loon, en zij hebben daarvoor bedankt?
A. Ja zeker.
V. Dus naar uwe verklaring was de liefhebberij in het werken zóó groot, dat zij zeiden: neen Mijnheer, wij bedanken u voor den vrijen dag laat ons maar liever werken, wij zijn dat zoo gewoon?
A. Ja.
(…)
V. Gij zult mij toestemmen dat het wel wat fabuleus klinkt? En dat het al heel zonderling schijnen moet dat, wanneer men niet alleen wat uw fabriek betreft, maar in het algemeen aan een arbeider of wie ook zegt: ik zal u een dag in de week vrijaf geven en toch uw volle loon betalen, dat dan de arbeider antwoordt: ik dank u vriendelijk, laat mij maar werken. Dat grenst aan het exorbitante! Is het inderdaad wel zoo?
A. Het is toch zoo.
V. En hebt gij nooit meer geprobeerd om die menschen die weldaad te bewijzen?
A. Neen.
V. Dus gij laat werken van 1 Januari tot 31 December, met vier dagen in het heele jaar vrij?
A. De stokers hebben geen enkelen dag vrij.
V. Goed, die dus hebben van 1 Januari tot 31 December niet éen enkelen dag vrij. En de anderen hebben vier dagen vrij in het heele jaar?
A. Ja.
V. Zoodat de menschen geen Zondag vrij hebben? Nooit?
A. Neen.
(…)
V. Hoe vindt gij het lot van die menschen?
A. Wat zal ik u daarop antwoorden? Alle menschen zijn in de wereld niet even gelukkig; de een heeft het harder dan de ander.
(…)
V. (…) Nu dus nog eens over die jongens. Kijkt ge niet naar hen? of vindt gij dat het nachtwerk schadelijk òf niet schadelijk op hen werkt?
A. Ik heb van mijn 16de jaar af onder die menschen geleefd en ben nog alle dagen 6 of 8 uren tusschen hen, en ik kan de verzekering geven dat de jongens niet lijden.
V. Al komen zij ook 3 nachten in de week niet op hun bed?
A. Over dag kunnen zij slapen.
V. Maar 3 nachten in de week komen zij niet op hun bed?
A. Maar die des nachts werken, hebben den dag om te rusten.
V. Het is dus zooals ik vraag: 3 nachten van de week komen zij niet op hun bed?
A. Neen, 6 nachten van de week.
V. 6 nachten! Dan is het nog erger dan ik dacht. Ik stelde het nog wat zachter voor dan het is. Er zijn alzoo onder uwe directie op uwe fabriek jongens van 12 tot 13 jaar, die 6 nachten van de week niet op hun bed komen?
A. En over dag kunnen zij slapen.
V. Acht gij dat niet schadelijk voor de ontwikkeling van die aankomende jongens?
A. Neen.
V. Gij zegt dat zoo koudweg, maar houdt gij het dan inderdaad niet voor bezwarend voor die jongens?
Hoe zou het werk kunnen gaan zonder die jongens? Eene brigade is niet compleet als er een aan ontbreekt.
V. Dàt is mijn vraag niet. Is hetgeen de jongens doen bepaald een werk dat door een kinderhand verricht moet worden? Of is het gebruik van jongens eene quaestie van geld?
A. Ook het laatste.
V. Misschien het laatste hoofdzakelijk?
A. Ik vraag u excuus. Een jongen loopt, als het glas gereed is, er mee naar den oven. Dat is geen zwaar werk, een jongen doet dat spelende. Als een jongen dit 12 uren gedaan heeft, is hij onvermoeid en loopt nog als een haas. Zware personen en personen op zekeren leeftijd kunnen voor dat werk niet gebruikt worden.
V. Dus gij noemt dit nachtwerk van kinderen in uw fabriek zes nachten achtereen, een werk dat spelenderwijs verricht wordt?
A. Ja.
(…)
V. (…) Mijne vraag was echter niet wat met de zieken geschiedt, maar wat er voor de menschen gedaan wordt, die afgewerkt zijn? Dáárop wacht ik nog uw antwoord.
A. Men laat ze dat werk doen waartoe ze nog in staat zijn.
V. Maar gij zult ze toch niet laten werken tot ze er dood bij neêrvallen?
A. Pensionneeren doen wij ze niet.
V. Dus, er is in uwe fabriek gansch geen sprake van pensionneeren? Goed verstaan?
A. Neen.


Toezicht en lessen

Het werk van de enquêtecommissie toonde duidelijk dat de Kinderwet niet functioneerde. In de wet ontbrak een regeling voor controle en handhaving. Dit heeft er in de praktijk toe geleid dat de feitelijke invloed van Van Houtens Kinderwet gering was. Er wordt zelfs gesproken over ‘een fiasco’.

De les: het invoeren van een regel wil niet zeggen dat de praktijk vervolgens ook overeenkomt met wat die regel zegt. Om in de woorden van Paul Scholten te spreken: de rechtsorde creëert nog geen maatschappelijke orde. Toezicht en handhaving zijn nodig om de gewenste veranderingen tot stand te brengen.

Het werk van de enquêtecommissie werd later voortgezet door een Staatscommissie. Dat leidde in 1890 tot de door minister Charles Ruijs de Beerenbrouck verdedigde Arbeidswet die kinder- en vrouwenarbeid verder inperkte. Tevens werd toen de Arbeidsinspectie ingesteld, die naleving van de wet kon controleren.


Als er al toezicht was, dan vertoonde ook dat gebreken. Uit een fragment van het verhoor hieronder blijkt bijvoorbeeld dat voor het verkrijgen van informatie een inspecteur wel zwaar leunde op de inlichtingen van de directie van het bedrijf…

Uit het verhoor van dr. E. Wintgens, adjunct-inspecteur van het geneeskundig Staatstoezicht

V. Dus uwe verklaringen omtrent die fabrieken op de punten die wij behandeld hebben, steunen eenvoudig op de mededeelingen van de geinspecteerde heeren fabrikanten zelve?
A. Ja.
(…)
De Voorzitter: Mag ik u dan een paar vragen doen naar aanleiding van hetgeen ge gaandeweg aan den heer Ruys hebt geantwoord. Wanneer zijt ge in de fabriek geweest en hebt ge daar gezien wat ge ons gezegd hebt?
A. In het laatst van December 1886, de vorige maand.
V. Was dat de eerste maal dat ge in die fabriek kwaamt?
A. De allereerste keer.
V. Hoe lang zijt ge in die fabriek geweest?
A. Een namiddag.
V. In de geheele fabriek één namiddag?
A. Ja.
V. Het bezoek is u dan vermoedelijk eenigszins gemakkelijk gemaakt en bespoedigd doordat men u rondleidde?
A. Ik werd rondgebracht door den heer Regout.
V. Ge hebt de fabriek dus geinspecteerd aan de hand van den heer Regout?
A. Ja.
V. Vondt ge den heer Regout daar toevallig, of hadt ge aangekondigd dat ge komen zoudt?
A. Ik had het ’s namiddags geannonceerd dat ik zou komen.
V. Gij werdt dus gewacht aan de fabriek?
A. Ja.
V. Met andere woorden: ge kwaamt niet in eens invallen in die fabriek?
A. Neen.
V. Zijt gij nooit overwachts de fabriek gaan inspecteeren?
A. Neen.


Referenties