Compliance in de Gouden Eeuw: Cornelis Musch

Cornelis Musch was van 1628 tot 1650 griffier van de Staten-Generaal. De griffier was een spin in het web met als formele taak het voorbereiden van en notuleren bij vergaderingen van de Staten-Generaal. In Rotterdam is de Cornelis Muschstraat naar hem genoemd.

Van Musch is geen portret bekend. Wel had hij een wapen – dat is nog te vinden boven de poort van het Gemeenlandshuis Delfland in Delft.

Musch is een van de meest corrupte ambtenaren die ons land heeft gekend. Het traktement van de griffier was in 1599 vastgesteld op 1.800 gulden per jaar. Musch kreeg er 300 gulden bij voor huishuur. Bij zijn dood beliepen zijn bezittingen ongeveer twee miljoen gulden, een astronomisch bedrag – en een bedrag dat niet te verklaren was op basis van zijn inkomen als griffier.

Musch kon jarenlang zijn gang gaan. Onder druk van de publieke opinie stelde de Staten-Generaal een ‘instructie’ op voor haar griffier – je zou dit kunnen vergelijken met wat nu wel een ‘compliance regeling’ wordt genoemd. En ook hier bleek: alleen een regeling uitvaardigen werkt niet.

Corruptie in de 17e eeuw: ‘vereeringen’

In de Republiek was het behartigen van eigen belangen een normaal verschijnsel, ook voor personen die een publieke functie bekleedden. Invloed gaf een goede mogelijkheid om de eigen belangen te dienen of om jezelf of je familie eenvoudigweg te verrijken. In 1628 werd Musch benoemd tot griffier van de Staten-Generaal. Volgens geruchten had hij daarvoor ruim 30.000 gulden aan geschenken uit moeten delen, maar hij zou dat royaal goedmaken.

In de Republiek en ook in andere landen kwam het veel voor dat staatslieden of ambtenaren geld ontvingen van iemand aan wie ze een dienst bewezen. Dit werd wel aangeduid als corruptie en werd in het algemeen afgekeurd.

“Er is echter in de mate van afkeuring veel verschil van opvatting naar gelang van het doel, waartoe de ‘vereeringen’ dienden. In de meeste landen was het een vast gebruik, dat gezanten na afloop van hunne missie en ook ministers van een vreemde mogendheid, waarmede een verdrag gesloten was, een belooning in geld kregen; dit stond gelijk met het tegenwoordige gebruik om in dergelijke gevallen een ridderorde te verleenen. Maar het is geen groote stap van het schenken van een gratificatie nà een bewezen dienst tot het aanbieden van een som gelds om een dienst bewezen te krijgen. Zelfs werd hiertegen geen unaniem bezwaar gemaakt: in Frankrijk was het een als door de gewoonte gewettigde praktijk, dat rechters hunne ambten door koop aan hunne zoons konden overdragen; de revolutie heeft daaraan pas een einde gemaakt. Toch verzette zich het moreele bewustzijn tegen het aannemen van geschenken met een dergelijk doel in het algemeen toen even goed als in onzen tijd; het stond te dicht bij omkooperij, al was het dit lang niet altijd in den ergsten zin van het woord.” (Japikse 1907, p. 503-504)

“Trachten we de uitwerking van het verschijnsel op het staatkundig leven der republiek eenigermate te preciseeren. De corruptie verklaart het volslagen gemis aan geheimhouding, meermalen bij de belangrijkste staatszaken, dat men tevergeefs op allerlei manieren heeft willen verhelpen; dit heeft het staatsbelang dikwijls geschaad en het is voor de afdoening van staatszaken in hooge mate hinderlijk geweest. Zij bewerkte, dat in vele ambten ongeschikten benoemd werden – meer dan bij een eerlijke sollicitatie het geval kan zijn; de koopers trachtten hun koopsom met rente in hun ambt terug te winnen. Zij had ten gevolge, dat de gezanten, vooral de Fransche, met gouden specie de politiek van hun meester trachtten te doen schitteren. (…) D’Estrades legde in 1667 aan zijn koning een lijst over van een verdeeling van 25,000 livres onder een groot aantal leden van de Hollandsche Staten en hunne secretarissen; in 1647 werd een som van 30,000 livres op dergelijke wijze verdeeld.” (Japikse 1907, p. 506)

Hoewel het verschijnsel veel voorkwam, keurde de publieke opinie in de Republiek corruptie sterk af. Een van de punten van beschuldiging tegen Oldenbarnevelt was bijvoorbeeld dat hij niet alle hem aangeboden geschenken geweigerd had.

De praktijken van Cornelis Musch

Cornelis Musch heeft zijn positie als griffier flink uitgebuit. Hij werd gesteund door de stadhouder en door een groep machtige regenten. Hij wist zijn invloed te vergroten, o.a. door mensen aan zich te verplichten met beloften en giften. Dat betaalde zich later dan weer uit. De precieze aard en omvang van Musch’ corruptie zijn moeilijk vast te stellen. “De juiste aard en hoeveelheid van Musch’ knoeierijen en knevelarijen zijn bedekt gebleven door de latere zorg der Staten.”

De ernst van de praktijken van Musch is wel duidelijk. “Het ‘Placaet’, door de Staten den laatsten Februari 1652 (dus na Musch’ dood) afgekondigd, lost echter elken twijfel, die nog mocht overblijven, op. Daarin immers verklaren de Staten, dat zij “uyt rechtvaerde oorsaecken noodigh ghevonden hebben, op de voorsz. informatiën tegen deszelfs (d. i. Musch’) Erfgenamen ende Goederen, midtsgaders oock jegens eenige andere verdachte Persoonen in Justitie te doen procederen,” en roepen zij een ieder op die “yetwes soude mogen hebben gegeven tot giften, gaven ofte vereeringen, selfs, ofte door anderen, aende voornoemde Griffier Musch, ofte oock aen anderen, inde Regieringe ofte bedieninge van ’t Landt wesende, ofte gheweest zynde, die haer met ghelijcke vuyligheydt souden mogen hebben misgaen.” (Zondagsblad van Het Nieuws van den Dag, 30 juni 1907)

Als griffier had Musch geen groot inkomen, maar hij vulde dit aan tot recordhoogte. Bijverdienen was gebruikelijk, maar Cornelis Musch maakte het wel heel bont. Bij hem was op een gegeven moment alles te koop, van een baantje voor een familielid tot zelfs geheime staatsdocumenten voor een buitenlandse gezant. Een dankbare Franse koning Lodewijk XIII sloeg hem in 1636 tot ridder en liet hem later onder meer bedragen van vier- en achtduizend goudstukken uitkeren. De Zweedse koningin Christina schonk hem uitgestrekte goederen, met meren en bossen, in Ingermanland.

Al tijdens zijn leven was Musch’ geldzucht legendarisch. Hij werd gezien als een door en door immoreel persoon. “Zijn voornaamste ondeugden, geldgierigheid en bewuste onnauwkeurigheid in het redigeeren van ter generaliteit genomen besluiten, waren bekend.” Al in het jaar van zijn aantreden waren er klachten over zijn gebrek aan integriteit in geldzaken. Later stond hij er ook om bekend zijn vergaderende bazen in de rede te vallen, ze niet aan het woord te laten, of ze in de wandelgangen te bepraten of te intimideren.

Handtekening van Cornelis Musch (1647)

“Onder het bewind van griffier Cornelis Musch waren de wanorde en het gebrek aan secretesse in de griffie spreekwoordelijk. De deur van de griffie werd niet bewaakt; iedereen liep in en uit, ook degenen die er behalve hun eigen voordeel niets te zoeken hadden. (…) Musch voer er wel bij. Niet alleen liet hij zich door belanghebbenden graag betalen voor een octrooi, als trouw aanhanger van Frederik Hendrik, van wie hij een jaargeld kreeg dat hoger was dan zijn salaris als griffier, wilde hij ook wel eens besluiten helpen doordrukken die formeel niet door de vergadering waren genomen.” (Thomassen 2009, p. 275).

Musch deinsde er niet voor terug om resoluties van de Staten-Generaal anders te notuleren of eigenhandig aan te passen als hem dat beter uitkwam (al dan niet tegen betaling). In 1631 werd er in de Staten-Generaal van gesproken, dat de griffier ‘te boecke laet teyckenen anders als de resolutie is gevallen’.

Uit: A. van der Capellen (1777), Gedenkschriften, uitsnede p. 646

In 1637 besloot de gedeputeerden de resoluties niet nog dezelfde dag door Musch te laten optekenen, maar ze pas vast te stellen na resumptie op de volgende dag omdat “door practijcke ende collusi van den Presiderende ende van den Griffier, veel Resolutiën subende obreptive door sluijpen konden, zonder kennisse van de Vergaderinge.”

Als hoogste ambtenaar van de Staten-Generaal was Musch daarnaast in staat raadsstukken te kopiëren. Musch eiste buitensporige sommen geld voor deze (ook geheime) stukken, de ‘depêchen’, waarvan hij ten behoeve van particulieren kopie verleende. Daarnaast regelde hij belastingvrijstellingen en schreef hij aanbevelingsbrieven. Hij leverde geheime documenten aan Franse, Spaanse, Duitse, Engelse en Scandinavische gezanten en agenten. Verder bemiddelde hij bij het vergeven van belangrijke ambtelijke posten. Ook was bekend “dat hij op zeer ongeoorloofde wijze met allerlei menschen, die ‘daghelijcx’ in zijn huis kwamen ‘ende af ende aen loopende waren’, zaken deed”.

Kop uit Het Binnenhof, 16 december 1950

Een onderzoek

Na het plotselinge overlijden van stadhouder Willem II kwam er een onderzoek naar de praktijken van Musch en andere ambtenaren. Musch overleed echter, op 15 december 1650, kort na het begin van het onderzoek onder nimmer opgehelderde omstandigheden – volgens sommigen had hij uit angst voor het onderzoek zelfmoord gepleegd. Het onderzoek naar Musch kwam hiermee niet meer verder – ook een reden dat de aard en omvang van Musch’ corruptie moeilijk zijn vast te stellen.

Toch kwam een en ander in een ander onderzoek aan het licht. Dit betrof een onderzoek naar een zekere Willem van Cuylenburg. Deze was ‘solliciteur’, een soort zaakwaarnemer, lobbyist of agent. Cuylenburg had zich ‘in verscheyde onbetamelycke corruptiën ende vuylicheden’ laten gebruiken. Hij had bij verschillende transacties als tussenpersoon gefungeerd en heel wat geld in de zakken van van griffier Musch zien verdwijnen. In 1651 namen onderzoekers de papieren van Cuylenburg in beslag. Het onderzoeksrapport werd op 23 januari 1653 gepresenteerd.

Japikse (1907) bespreekt het onderzoeksrapport. Een aantal punten die hij vermeldt betreft de volgende:

  • “Niet minder dan ruim dertig gevallen had het rapport uiteen te zetten, waarin corruptie, meestal in den slechtsten zin van het woord, had plaats gehad of waarin zonder succès een poging tot corruptie gedaan was: bij deze was het mislukken bijna altijd te wijten geweest aan het te lage bod der omkoopenden. Die gevallen brengen ons op een paar na alle in de Generaliteitslanden. Daar had Cuylenburg zijne meeste cliënten, wat een licht verklaarbaar verschijnsel is. De veroverde landen hadden geene vertegenwoordiging in de Staten-Generaal; bewoners, hetzij particulieren, geestelijken of dorps-, stads- en kwartierregeering, die iets in Den Haag te wenschen hadden, konden hunne belangen alleen schriftelijk voordragen, of ze moesten er reis- en verblijfkosten voor over hebben. Gemakkelijker was het zich te wenden tot een solliciteur, een zaakwaarnemer; deze weg werd dan ook veelvuldig bewandeld.”
  • “Het bestuur van de Generaliteitslanden berustte in hoofdzaak bij de Staten-Generaal, bijgestaan door den Raad van State (…). De ’tentativen’, die Cuylenburg voor de behartiging van de belangen zijner cliënten aanwendde, werden dus toegepast op de leden van de Staten-Generaal of van den Raad, alnaargelang de aard van de zaak het medebracht. Zonder ‘beloften ende giften’ kon hij, zooals hij aan de commissie verklaarde en zooals de in zijne papieren gevonden gegevens bevestigen, ‘door het beleyt van eenige heeren’ niets uitrichten. In de Staten-Generaal was Musch van dezen het middelpunt; hij had aan Cuylenburg gezegd, ‘dat men op hem alleen soude sien ende niet noodich was andere heeren te spreecken.’ Voor het winnen van die anderen zorgde hij zelf. Dit waren ‘de syne’, die met hem een côterie vormden.”
  • “In den Raad van State ontbrak een middelpunt, zooals Musch in de Staten-Generaal vormde. Er worden niet minder dan zestien leden uit dat college vermeld, die bij verschillende gelegenheden min of meer bedacht waren. Het kwaad was hier zeer verspreid. Twee Friesche leden, Albert Loo en Anchises Andla, kwamen er tegen Cuylenburg openlijk voor uit, dat zij ‘haren staet niet hadden becomen, sonder gelt gespendeert te hebben en dat hetselve wederomme moeste werden gewonnen’; hunne handelingen bewijzen, dat zij er vlijtig mede bezig waren dit in praktijk te brengen. Jacob Vervoorn, uit Gorkum, lid dus voor Holland, biechtte eerlijk op, dat de ‘wagen gesmeert moste sijn en het kint een naem hebben’. Regeeringszaken waren, ‘res adiaphorae’, meende Jacob van Berchem uit Zeeland: zaken, ‘daarinne men den éénen konde vrientschap doen, sonder eenen anderen te verongelycken’ (…). Inderdaad waren deze vier met Philips Jacob van Asperen, heer van Boetselaer, als vijfde man, degenen in den Raad, die voor een ‘vereeringe’ het meest vatbaar waren.”

Een van de ‘merkwaardigste zaken’ uit het rapport wordt door Japikse (1907) meer in detail beschreven. Dit betreft een zaak die speelde in de meierij van Den Bosch.

De abt van Postel wilde van de Staten-Generaal een verklaring verkrijgen dat zijn abdij niet tot de meierij behoorde. Abt Cornelis van Boesdoncq stelde zich in verbinding met de agent van Musch, ene Noordingen. Het resultaat hiervan was dat hij in oktober 1636 van de Staten-Generaal toestemming kreeg om te mogen ‘gebruycken al sulcke nominatie, electie ende confirmatie, als hy volgende de institutie van de voorszeide abdie hadde geobtineert’ en om te mogen genieten ‘de reëele ende actuele possessie ende gebruyck’ daarvan. Dit had Boesdonq ƒ8000 gekost, die verdeeld werd onder de côterie van Musch.

De abt zag zich weldra genoodzaakt nieuwe betrekkingen met Noordingen aan te knopen. In het einde van 1636 achtten de Staten ‘retorsioneele maatregelen’ tegen de Katholieke geestelijkheid nodig, zowel in als buiten de meierij. Ook de geestelijken van Postel moesten dus elders een toevlucht zoeken. Een paar jaar later werden de represailles tegen de geestelijken buiten de Generaliteitslanden opgeheven, maar niet die tegen de overige. Voor Boesdoncq werd de zaak nu van actueel belang: als zijn abdij niet tot de meierij behoorde – dus niet tot de veroverde landen – dan zou hij er in mogen terugkeren.

“Voorzichtiger dan den eersten keer liet hij aan Noordingen een obligatie van ƒ4000 geven ten laste van een zwager van hem, te betalen na behaald succès. Het lokaas bleek niet sterk genoeg te zijn. Noordingen vroeg namens Musch en zijne vrienden de helft van de ‘moeren’, veengronden, van Postel; zij zouden daardoor een vaart laten aanleggen om den turfafvoer te vergemakkelijken, wat immers de aan de abdij blijvende wederhelft ook ten goede zou komen.

Dezen voorslag verklaarde Boesdoncq voor onaannemelijk, wat hem bedreigingen uit Den Haag bezorgde. Zonder zich daaraan veel te storen, begon hij een anderen weg in te slaan, door zich te wenden tot verschillende leden van den Raad van State, hiertoe gebruik makende van de diensten van Cuylenburg. Van der Capellen (…), Van Berchem, (…) en Jacob Schotte (…) kregen ieder een paar aamen wijn; Cuylenburg diende hiertoe een rekening in van ruim ƒ650. Men had ook den tresorier-generaal, Govert Brasser, willen onthalen; hij had voor de vereering bedankt, wat een unicum in het rapport is.

De wijn bracht de zaak aan het rollen. In de Staten-Generaal werd besloten de beslissing op de verschillende verzoekschriften van Boesdoncq aan den Raad over te laten. Musch, misschien bevreesd, dat hem alle profijt zou ontgaan, had hiervoor gezorgd, nadat de obligatie van ƒ4000 uitbetaald was, terwijl hij ƒ2000 bovendien en mevrouw Musch, geb. Cats, eenige stukken ‘fijn lijnwaet’ gekregen had. Van Berchem, overgehaald voor ƒ2000, werd daarna de voornaamste pleitbezorger in den Raad.”

In 1641 mocht de abt met een paar priesters in de abdij terugkeren, vooral, naar het heette, opdat hij de gewone uitkeringen aan de armen zou kunnen doen. In 1643 kregen de anderen verlof zich bij hem te voegen. Feitelijk had nu Boesdoncq zijn zin: “zijne abdij was geëximeerd van een in de meierij geldend plakkaat.”

Onder druk komt er een ‘compliance-regeling’

Musch kon lang zijn gaan. Het duurde tot 1646 totdat men ingreep. De publieke opinie had zich inmiddels zeer sterk tegen de praktijken van de griffier gekeerd en sprak over ‘godtloose corruptiën ende kuiperyen’.

Een van de bekende geschriften was Doodt-Stuypen Van d’Heer Cornelis Musch.

Een andere pamfletschrijver doet een oproep aan Holland: ‘Sult ghy langer lyden, dat alsulcke schandelycke corruptiën, kuiperyen en van Godt-vervloeckte monopoliën, niet alleen in uwe provintie, maar selver voor uwe oogen dagelijcks aengevangen, gepleecht, ende soo grouwelijck misbruyct wert.’

Onder invloed van deze uitingen stelden de Staten-Generaal een instructie voor hun griffier op.

“Het stuk werpt een eigenaardig licht op de positie, die de man moet ingenomen hebben. Onder meer werd hem voorgeschreven de beraadslagingen der vergadering niet door onderbrekingen te storen, geen personen ‘opentlick oft onder de hant te recommanderen’, geen invloed ’tot het formeren ofte veranderen van advis ofte resolutie’ op eenig lid te oefenen. Zulke bepalingen dienen voor bizondere gevallen, niet voor het gewone genus der griffiers. Een streng verbod, evenals de geheele instructie bij eede te bevestigen, werd hem opgelegd om ‘pensioenen, gagiën ofte tractementen’ van andere mogendheden dan de Staten, ‘giften, gaven ofte geschenken’ van wien dan ook aan te nemen, ‘op peene van infamie ende privatie van synen staedt’. Musch werd voor de keuze gesteld, de instructie te bezweren of heen te gaan; hij koos het eerste.” (Japikse 1907, p. 502)

De instructie leest als een gedragscode. De verschillende punten – naast de bovengenoemde zijn er nog meer, bijvoorbeeld dat de griffier zaken geheim moet houden en dat hij ‘alle octroyen, ordonnantien, placaten, commissien, ende andere acten’ in een boek moet registreren en in goede orde bewaren) – maken wel duidelijk waar de pijn zat. Een aantal voorbeelden volgt hieronder (opgenomen in Van Riemsdijk (1885)).

Werkte de regeling?

“De storm tegen hem bedaarde daarmede. Maar een ernstig onderzoek naar zijne handelingen had niet plaats – en aan zijn instructie, ten minste op het punt van geldzaken, stoorde Musch zich in het geheel niet.” (Japikse 1907, p. 502). En ondanks alle maatregelen die Hunne Hoog Mogenden hadden genomen om Musch en zijn klerken in het gareel te krijgen, werd nog in 1650 in de vergadering gemeld, dat het vijfde kohier van de notulen en resoluties van het lopende jaar op de griffie werd vermist. De wanorde bestond nog steeds.

Tijdens de ‘Groote Vergadering’ van 1651 (een bijeenkomst van afgevaardigden van de gewesten van de Verenigde Nederlanden in Den Haag, in feite een uitgebreide vergadering van de Staten-Generaal) werden verdere besluiten genomen naar aanleiding van de ‘publycqe onveranderlycke geruchten’ dat het aan morele waarde in regeringskringen haperde. De besluiten zagen niet alleen op ‘de bij de regeering betrokkenen’, maar ook aan ‘derselver huysvrouwen, kinderen ofte yemandt anders, deselve aengaende’. Ook inbegrepen waren ‘Nederlandsche gezanten en leden van Staten-collegiën, die als commissarissen in Den Haag met buitenlandsche gezanten onderhandeld hadden’. Een plakkaat werd uitgevaardigd, verbiedende aan een ieder, om door middel van geld te trachten iets van de regering gedaan te krijgen. Eden werden opgelegd, met straffen werd gedreigd – het land kon rustig zijn.

Hoe liep dit af? “Inderdaad, wanneer wij naar de uitwerking zien, dan treft het poovere resultaat. Ieder weet, dat, tot het einde van den republikeinschen tijd toe, ambten verkocht zijn en geld van vreemde mogendheden door menigen regent aangenomen is. Alleen voorzoover de resolutie van 1651 onze gezanten betrof, is zij zuiver nageleefd, hoewel dit gedeelte der besluiten feitelijk het minst praktisch was. Een regeering, bij welke een gezant geaccrediteerd geweest was, kon zich licht beleedigd achten door de weigering van het ‘ordinaris present’; het aannemen hiervan werd dan ook sedert 1675 uitdrukkelijk toegestaan. Voor al de anderen werd het verbod van 1651 later tot eenige malen toe herhaald, steeds met even weinig succès. En hoe kon het anders? Waar velen een regeering vormen, is het, gegeven de menschelijke eigenschappen, buitengesloten, dat allen alléén het algemeen belang behartigen, met geheel ter zijde stelling van hun particulier, casu quo hun geldelijk belang.” (Japikse 1907, p. 505-506).

En ook hier speelt toezicht een rol. Cornelis Musch mag dan door bijvoorbeeld Geyl ‘berucht om zijn omkoopbaarheid’ genoemd zijn, Jan en Annie Romein geven in De lage landen bij de zee toch vooral het ontbreken van een goede openbare controle de schuld van die corruptie.


Cornelis Musch en de Statenvertaling

Omdat de Staten-Generaal de opdrachtgever was van de vertaling van de Bijbel die bekend is geworden als de Statenvertaling, werd de Bijbel van 1637 voorzien van een acte van autorisatie. Op 29 juli 1637 wordt de acte van autorisatie van de Statenvertaling goedgekeurd. Adriaen Ploos van Amstel, als president, en Cornelis Musch, als secretaris van de Staten-Generaal, ondertekenen die acte. Tot in de 20e eeuw werd deze acte voorin de Bijbel afgedrukt.

Het blijft bijzonder dat juist een volledig corrupte griffier deze acte van autorisatie ondertekende. De Bijbel keurt corruptie in alle toonaarden af, bijvoorbeeld in Exodus 23:8: Neem geen steekpenningen aan, want steekpenningen maken zienden blind en maken eerlijke mensen tot leugenaars.


Referenties

  • Th. van Riemsdijk (1885), ‘De griffie van Hare Hoog Mogenden’, in: Bijdrage tot kennis van het archief van de Staten-Generaal.
  • N. Japikse (1907), ‘Cornelis Musch en de corruptie van zijn tijd’, De Gids (71) 1907-1, p. 498-523.
  • Zondagsblad van Het Nieuws van den Dag, 30 juni 1907.
  • P.J. Blok, P.C. Molhuysen (1911), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 1, p. 1351-1353.
  • Het Binnenhof, 16 december 1950.
  • T. H. P. M. Thomassen (2009), Instrumenten van de macht. De Staten-Generaal en hun archieven 1576-1796 (diss. Amsterdam).
  • Wikipedia