Een analyse van het UK PPI schandaal

Een van de grootste financiële schandalen in het Verenigd Koninkrijk is het PPI-schandaal. Dit betrof ‘mis-selling’, misleidende verkooppraktijken. Financiële instellingen moesten meer dan 38 miljard GBP aan compensatie uitkeren aan hun klanten. Alleen al banken hebben naar schatting meer dan 48 miljard GBP aan kosten moeten maken als gevolg van het schandaal. Ook het toezicht ligt in deze zaak onder vuur.

www.thisismoney.co.uk

Wat is PPI?

Payment Protection Insurance (PPI) is een verzekering die maandlasten (lening/creditcard/hypotheek) zou moeten dekken als je werkloos, ziek of arbeidsongeschikt wordt. Vanaf de jaren 90 verkochten banken en kredietverstrekkers in het Verenigd Koninkrijk PPI op grote schaal, vaak als standaardoptie bij leningen en creditcards.

Wat hield het schandaal in?

De kern van het UK PPI-schandaal is misleidende verkoop. Dat raakte klanten op meerdere manieren.

  • Klanten hadden een PPI vaak helemaal niet nodig. Ze hadden al dekking bij ziekte/arbeidsongeschiktheid via andere verzekeringen of een werkgever. PPI werd vaak gepresenteerd als iets wat ‘bij de lening hoort’, of zelfs als feitelijk verplicht om de lening te krijgen. Dit leidde voor de klant tot dubbele kosten, voor een extra verzekering die niets toevoegde.
  • Verzekeringen keerden niet uit. Bij een grote groep klanten was de polis feitelijk waardeloos. Zelfstandigen, flexwerkers of mensen met tijdelijke contracten, mensen met bestaande medische problemen, gepensioneerden: deze groepen vielen vaak onder een of meer uitsluitingen. Dus: wel betaald, maar geen reële kans op uitkering.
  • Hoge verborgen kosten, die ook nog eens zeer dubieus waren. Premies waren relatief zeer hoog vergeleken met de geboden dekking. Tussenpersonen/banken kregen soms 60–80% van de premie als provisie. Die provisie en marges waren vaak niet of nauwelijks transparant voor de klant.
  • Een extra pijnpunt was de zogenaamde single premium PPI. De premie voor de hele looptijd werd in één keer aan het begin van de lening opgeteld bij het leenbedrag. Klanten betaalden daarover vervolgens jarenlang rente, zonder dat dit helder werd uitgelegd. Daarmee werd de lening fors duurder dan de klant dacht. Ook was het moeilijker om er vanaf te komen (want de premie zat verwerkt in de hoofdsom).
  • Langdurige financiële schade. De optelsom voor veel consumenten:
    • Maandelijks hogere lasten door PPI-premie (en soms rente op die premie).
    • Minder aflossing van de echte schuld omdat een deel van de betaling naar de verzekering ging.
    • In sommige gevallen: diepere of langere schulden dan nodig was, of minder ruimte om te sparen.
    • En vervolgens, als er écht iets misging (werkloosheid, ziekte), bleek de polis niet of nauwelijks uit te keren, of veel minder dan verwacht.
  • Tweede ronde benadeling: klachtenafhandeling. Veel banken hebben in de eerste jaren na de PPI-onthullingen klachten massaal afgewezen of ondergecompenseerd, dossiers niet goed onderzocht, of zelfs verkeerde/onjuiste informatie aan de Ombudsman gegeven. De hoogste boetes van de FCA in dit schandaal gingen over de oneerlijke afhandeling van PPI-klachten door banken.

Een analyse over het UK PPI-schandaal en toezicht

Heims (2025) geeft een analyse van het UK PPI schandaal, waarin onder andere de rol van toezicht aan de orde komt. Zij refereert aan een uitspraak van de Parliamentary Commission on Banking Standards uit 2013 dat “scandals relating to mis-selling by banks were allowed to assume vast proportions, in part because of the slowness and inadequacy of the regulatory response”.

In 2005 krijgt de De Financial Services Authority (FSA, de voorloper van de FCA) het toezicht op PPI-verkoop.

In de periode 2005-2006 is er sprake van een ‘soft approach’. De FSA hanteert een thematische aanpak en zet in op het verkrijgen van meer informatie over de verkooppraktijken d.m.v. bezoeken aan individuele instellingen. De FSA probeert de sector te overtuigen om het gedrag te veranderen, bijvoorbeeld door het sturen van brieven. Enkele kleinere instellingen krijgen een boete. “This initial phase lasted from 2005 to 2006, when given the long-run warnings from consumer groups, the media and politicians, the FSA could, in theory, have acted more decisively through more targeted enforcement procedures, and clearer consideration as to whether a focus on individual firms was appropriate.”

In 2007-2008 hanteert de FSA een ’tightened approach’, waarin de FSA meer inzet op handhaving in plaats van op overtuigen. De focus blijft liggen op individuele instellingen, ondanks duidelijke signalen over het systemische karakter van het probleem. De FSA legt wel meer boetes op, en ook hogere boetes – ook aan grotere financiële instellingen. “In the second phase (2007–2008), the FSA grew increasingly frustrated with a lack of change in PPI sales practices and subsequently tightened its approach to PPI, mainly by fining bigger industry players and imposing higher fines. Nevertheless, this approach remained focused on individual firms and only managed to scratch the surface in relation to the scale of mis-selling, even when other regulators and third parties were supplying clear information about the systemic nature of the problem to the FSA.”

Vanaf 2009 schakelt de FSA plotseling over op ‘clampdown’ (hardhandig optreden). De aandacht ligt op herstel vanwege mis-selling. Instellingen krijgen nu te maken met strenge regels over herstel en over het afhandelen van klachten van consumenten (ondanks sterke weerstand uit de sector). De FSA legt hoge boetes op aan de grote financiële instellingen, in een tijd van moeilijke financiële omstandigheden in de nasleep van de financiële crisis. “The most fundamental change in the FSA’s approach happened from 2009 when it shifted entirely from trying to assess if and how mis-selling was happening to redress for consumers that had been mis-sold. This shift was accompanied by immediate heavy-handed policy and enforcement against companies (including major high street banks) if they were refusing to compensate mis-sold customers”.

De vraag is waarom de FSA pas in 2009/2010 overging tot een meer stringente aanpak: “Why did the regulator initially fail to limit mis-selling of this scale before moving to a more stringent approach towards PPI in 2009/2010?” Heims analyseert de regulatory failure in deze zaak door de besluitvorming bij de toezichthouder na te gaan aan hand van drie perspectieven: regulatory capture, organizational reputation, en organizational blind spots. Zij betoogt dat regulatory capture alleen een te beperkt zicht geeft op de totstandkoming van regulatory failure.


Regulatory failure

‘When regulators fail to protect the public from harm’, dan spreken we ook wel over regulatory failure. In de kern verstaat Heims eronder: falen in het adequaat beheersen van risico’s. Dit falen tast de bestaansreden van een toezichthouder aan en legt tegelijkertijd de (soms uiteenlopende) verwachtingen van de samenleving bloot m.b.t. de toezichthouder.

Heims benadert toezichtfalen vanuit drie perspectieven.

  • Regulatory Capture: dit ziet op het fenomeen dat de besluitvorming binnen een toezichthouder wordt beïnvloed door andere belangen, met name die van de gereguleerde sector. Dit kan ertoe leiden dat de belangen van de gereguleerde sector in de besluiten van de toezichthouder beter worden gediend dan het publieke belang.
  • Organizational Reputation: dit knoopt aan bij het idee dat toezichthouders hun reputatie belangrijk vinden en dat dit hun besluitvorming sterk beïnvloedt. “Regulators are involved in the construction of their legitimacy in institutional contexts”. Reputatie, de opvatting over de gezag, competentie en prestaties, speelt voor een toezichthouder dan in verschillende groepen een rol – denk aan de gereguleerde sector, maar aan NGO’s, het publiek, beroepsgroepen en de politiek. Heims verwijst naar onderzoek dat laat zien dat toezichthouders gevoelig zijn voor negatieve media-aandacht. Gepercipieerde reputatierisico’s kunnen dus leiden tot “changes in regulatory decisions and approach”. “Reputation-seeking behavior can result in organizations prioritizing some fields of work over others, contributing to bad outcomes”.
  • Organizational Blind Spots: “The organizational blind spots approach pinpoints that regulators’ decision-making is significantly influenced by existing organizational processes and frameworks”. Organisatorische processen en kaders, en ook informele denkkaders en normen, vormen mede hoe vraagstukken worden benaderd en beoordeeld. Een belangrijke verschijningsvorm hiervan is de focus op het eigen mandaat. Het ‘blind spot perspectief’ richt zich op “unintended consequences of institutionalization processes within organizations”, waarbij “normal organizational behavior (…) can result in failure and disasters”.

Toezichtfalen in de UK PPI case: Regulatory Capture

Hoe komen deze perspectieven volgens Heims terug in de UK PPI case? In Heims’ analyse van de UK PPI case ziet ze duidelijke sporen van industrie-invloed. Zo kwamen er vanuit de industrie verreweg de meeste reacties op de consultaties van de FSA van haar PPI-richtlijnen. Ook oefenden ze veel formele en informele invloed op de besluitvorming uit via panels, meetings en andere contacten/bijeenkomsten.

“The FSA’s initially timid approach to enforcement against firms that were mis-selling PPI also indicates behind-the-scenes industry pressure.” De handhaving richtte zich in eerste instantie op kleine en middelgrote partijen, terwijl alle grote banken ook betrokken waren bij mis-selling.

“In 2005, the FSA’s consumer panel raised concerns that the FSA appeared reluctant to take enforcement action and that the Regulatory Decisions Committee (RDC) seemed too influenced by the industry’s views because of heavy industry involvement and lack of third-party involvement (FSCP 2005). Indeed, no large institutions were fined for mis-selling before 2008. (…) This feeble approach to taking on large players in the early years happened in a context in which the regulatory regime and informal political mandates for the FSA encouraged soft regulation to safeguard the competitiveness of the sector (…), also pointing to potentially deeper levels of capture.”

Een tweede ronde van capture ziet Heims vanaf 2009 als de FSA nieuwe regels wil introduceren. Toen de FSA duidelijk maakte dat ook pre-2005-verkopen onder de fair-treatment-norm vielen, was dat voor de banken potentieel een financiële aderlating. De sector reageerde met maximale tegenkracht: zware lobby in de consultaties, vertragingstactieken en uiteindelijk een gecoördineerde rechtszaak van de British Bankers’ Association tegen de nieuwe regels. De FSA gaf onder die druk een herziene regeling uit.

De definitieve regels kwamen pas in 2010, en werden toen aangevochten door de British Bankers’ Association (BBA). Pas het verlies van de BBA bij de High Court in 2011 en het breken van de ­eenheid in de sector (Lloyds trok zich uit het hoger beroep terug) kwam de grote herstelgolf op gang.

“Consumer groups and the FSA’s consumer panel voiced considerable frustration over the industry’s influence on delaying the adoption of fair complaints handling rules, saying that the FSA ‘spent the past year battling against industry pressure to get their tough stance to be accepted’ (…). In sum, the industry clearly tried to influence the FSA in consultations and private meetings, was likely able to do so in enforcement investigations, as well as holding significant power through coordination in a lawsuit against the FSA and in delaying regulatory action on redress for mis-sold products.”


Heims betoogt dat het capture-perspectief tekortschiet. De FSA pakte PPI meteen in 2005 op als prioriteit, voerde meerdere reviews uit, verscherpte stapsgewijs haar aanpak, legde hogere boetes op en introduceerde PPI-specifieke regels. Tot 2009 was er relatief weinig expliciete weerstand. “Instead, the industry simply did not comply with the rules on treating customers fairly, leading to increasing frustration for the FSA.”

De FSA sprak deze frustratie ook uit en scherpte vanaf 2007 de regels aan, met onder meer verplichtingen tot terugbetalingen aan klanten en rapportagevereisten. Ook qua handhaving trad de FSA forser op met meer en hogere boetes. Na 2009 zette de FSA ondanks forse tegenstand toch door met een harde herstel-lijn.

“Prior to 2009, the industry responded mostly favorably to the suggested rules, and the FSA was not responsive to the limited criticisms that were raised. The gradual tightening of the FSA’s regulatory approach amidst increasing industry pushback is not easily reconcilable with the regulatory capture approach. Neither is the FSA’s determination to take a tough approach to redress, which showed clear willingness to take on the industry despite the looming threat of legal action (…). The regulator also withstood pressure from the largest high street banks to lower interest rates on redress to customers that had been mis-sold PPI.”

Een en ander is moeilijk te rijmen met een beeld van een toezichthouder die ‘gecaptured’ is. Heims komt tot de conclusie dat capture wel duidelijk aanwijsbaar is in de vorm van uitstel, verzwakking en selectieve handhaving, maar het verklaart niet waarom de FSA veel aandacht aan PPI besteedde, noch waarom zij uiteindelijk een harde koers inzette. “This means we cannot fully understand the FSA’s regulatory approach and why it failed to act more effectively before 2009 when analyzing the case solely through the regulatory capture lens.”

Toezichtfalen in de UK PPI case: Organizational Reputation

Het reputatie-perspectief verklaart in de analyse van Heims dat de FSA het PPI-vraagstuk juist vrij snel oppakte. Dit kwam doordat de FSA “was responsive to pressures from key external audiences beyond the regulated industry, especially consumer groups and the media, as well as political pressure”:

  • Al vanaf de late jaren negentig was er brede media-aandacht: grote kranten schreven over slachtoffers en over rapporten van belangenorganisaties.
  • Consumentenorganisaties zetten druk door de publicatie van studies, mystery-shoponderzoeken en een ‘super-complaint’ bij de Office of Fair Trading – dat in 2006 een onderzoek startte.
  • Dit werd opgepikt door ministers en parlement, die expliciet om actie van de FSA vroegen.

“These combined pressures had an impact on the FSA’s decision to act on PPI and to continuously increase its efforts in this area,” aldus Heims. Reputatiedruk was in haar analyse dus een belangrijke reden dat de FSA het PPI-vraagstuk in 2005 als prioriteit kiest.

In 2008 neemt de public pressure op de FSA toe. De FSA krijgt hevige kritiek vanwege het langzame optreden van de FSA, dat bovendien volgens die kritiek ook nog eens te beperkt was. Ook de Ombudsman roerde zich vanwege het grote aantal klachten dat daar werd ingediend, en riep de FSA op “to consider whether (…) it should take wider regulatory action”. De FSA schroefde haar inzet dus op. “When the FSA moved to a more aggressive regulatory approach focused largely on compensation for mis-sold products in 2009, it did so under a wave of public and political pressure (…). Industry pressure on the regulator was thus counterbalanced by media and consumer groups and focused regulatory attention on consumer protection.”

De aanpak paste bovendien bij het zelfbeeld dat de FSA had opgebouwd. In het begin zag men zich vooral als een innovatieve, ‘world-leading’, ‘light-touch’, ‘not enforcemennt led’, responsieve toezichthouder die via dialoog en ‘informal encouragement’ gedrag in de markt wilde veranderen. Toen bleek dat de PPI-praktijken niet veranderden, kwam er een verandering en verschuift het organisatie-narratief naar ‘credible deterrence’, met zwaardere handhaving.

De reputatielens verklaart daarmee goed waarom de FSA het PPI-vraagstuk oppakt en waarom zij geleidelijk strenger wordt. Maar volgens Heims verklaart dit perspectief niet waarom de FSA hardnekkig vasthoudt aan een benadering per individuele instelling terwijl de problemen duidelijk systemisch zijn.

“The FSA acted on PPI as a direct response to external pressure and criticism of its (in)action. It crafted its step-by-step approach on PPI in its self-image as a responsive regulator. However, the regulator’s initial approach was cautious in relation to the scathing attacks by the media and consumer groups. Its step-by-step approach aimed at visiting and enforcing against individual firms was fundamentally at odds with the clear argument made by consumer groups and the FOS [Financial Ombudsman Service] that PPI mis-selling was systemic. This means that while reputational pressures help us to understand why the regulator sprang into action, they do not help us to fully comprehend the precise nature of how the regulator chose to deal with PPI.”

Toezichtfalen in de UK PPI case: Organizational Blind Spots

Het blind-spots-perspectief richt zich bij Heims op de manier waarop mandaat, verdeling tussen autoriteiten en routines van de FSA de blik op PPI vernauwden. Zij laat zien dat de FSA het PPI-vraagstuk vanaf het begin interpreteert als een compliance-vraagstuk op organisatieniveau, niet als een markt- of business-model-probleem. Daarbij had men een nogal optimistische verwachting: “At first, the FSA expected that any problems with PPI mis-selling would be solved by insurance products coming under its umbrella in 2005 and hence being subject to statutory regulation for the first time”.

Verder opereerde de FSA in een krachtenveld met de Office for Fair Trading (OFT), Competition Commission (CC) en de Financial Ombudsman Service (FOS). Concurrentie en marktstructuur vielen buiten haar mandaat, dat lag bij andere autoriteiten. Daardoor kiest de FSA voor een ‘firm-based mystery shopping approach’ om na te gaan hoe instellingen omgaan met PPI. De FSA ziet daardoor het PPI-probleem vooral als een kwestie van interne controle en naleving van verkoopregels, “which could be sorted out through encouragement and cooperation, and, when this failed, through fines.”

Heims laat ook zien dat de FSA onvoldoende inzag hoe PPI als high-margin product cruciaal was voor de winstgevendheid van financiële instellingen, en dat de FSA geen zicht had op de systemische aard van de mis-selling. Dat inzicht komt vooral via het werk van de CC en de FOS.

The FSA lacked the capacity and expertise for market-wide and business model analysis and did not fully appreciate how profitable, and important for their business model, PPI was for some major high street banks (…). It also only understood after 2009 that fines were seen as “a cost of doing business” for financial institutions”.

“The FSA approached PPI in line with its specific mandate and associated procedures and expertise that it defined in relation to other regulators’ work in the area: while the OFT and Competition Commission oversaw market-wide dynamics and competition issues, the FOS focused on individual consumer complaints and redress. The FSA’s niche in this crowded regulatory space was to focus on consumer protection through the supervision of sales practices on a firm-by-firm basis. This resulted in a flawed interpretation of the scale of the problem, and thus an inadequate regulatory response.”


Lessen

De oorzaken van regulatory failure liggen niet alleen in capture, maar “different external pressures on regulators and internal organizational constraints interact to result in failure.”

Heims laat zien dat de FSA in de PPI-zaak duidelijk blootstond aan druk vanuit de industrie. Die droeg bij aan het uitblijven van stevige handhaving en aan vertraging bij het doorvoeren van regels voor eerlijke klachtbehandeling. Tegelijkertijd laat de casus zien dat het capture-perspectief alleen niet verklaart waarom de FSA PPI toch hoog op de agenda zette, waarom de aanpak in de tijd verschoof, of waarom het probleem stelselmatig werd onderschat.

De aandacht voor PPI en de latere bijstelling in het toezicht zijn volgens Heims beter te begrijpen vanuit organizational reputation: druk van consumentenorganisaties, ombudsman, media en parlement dwong de FSA zich als responsieve, consumentenbeschermende autoriteit te profileren. De hardnekkige keuze voor een firm-by-firm benadering en het structureel onderschatten van de sectorbrede aard van de mis-selling duidt zij als organizational blind spots: mandaat, taakafbakening en procedures filterden hoe het probleem werd gezien en zorgden voor ‘bounded rationality’, ook m.b.t. de mogelijkheden voor oplossingen.


Referenties

  • E. Heims (2025), ‘The Limits of Regulatory Capture: Explaining the UK Payment Protection Insurance Mis-Selling Scandal’, in: Public Administration, 2025, p. 1–13.
  • National Audit Office (2016), Financial services mis-selling: regulation and redress.
  • Financial Conduct Authority (2020), Payment protection insurance complaints deadline – Final Report.
  • Financial Times (2019), PPI scandal hits £50bn after claims rise at Lloyds and Barclays, 9 september 2019.
  • Wikipedia
  • FCA PPI timeline